Peer pressure, reviewing, kritische zin en goede bedoelingen

Geen speciale status voor criminologie

De Nederlandse Vereniging voor Criminologie belegde 5 februari een studiemiddag. Onderwerp: ‘Transparantie van onderzoek in de criminologie’. Ik werd gealarmeerd door het alarmisme in de aankondiging. Vetgedrukt: “Praat mee nu het nog kan: hoe transparant willen en kunnen criminologen over hun bronnenmateriaal zijn?“. Daarnaast een fotootje van de vermaledijde Diederik Stapel in ongunstige pose.

Gelukkig had de bijeenkomst zelf, in een collegezaaltje van de VU, nota bene in het gebouw van Wis- en natuurkunde, een andere toon. Dat was mede te danken aan het feit dat er behalve drie hoogleraren ook nog twee wat jongere onderzoekers een praatje hielden. Jan Dirk de Jong en Mirjam Wijkman houden zich nog volop bezig met data verzamelen en andere praktische kanten van onderzoek. In hun nuchtere verhalen maakten ze duidelijk hoe onthutsend gemakkelijk sjoemelen met data goed beschouwd eigenlijk is. Zelden wordt je als onderzoeker de vraag gesteld hoe je aan je resultaten komt. Dit thema kwam uitgebreid terug in de discussie. In alle inleidingen kwam echter naar voren dat deze kwestie niet zo heel specifiek voor de criminologie is.

Dat was ook de conclusie van Cees Schuyt, lid van de Raad van State en, onder veel meer,  emeritus hoogleraar sociologie: geen uitzonderingspositie voor criminologie.

Daardoor was er ruimte om aandacht te besteden aan de achterliggende vragen van integriteit en betrouwbaarheid van de sociale wetenschap en hoe die te bevorderen.

Professor van Swaaningen, hoogleraar comparatieve criminologie aan de Erasmus Universiteit, leidde de bijeenkomst in. Hij begon met een verheugend nieuwtje: na decennialang gebukt te zijn gegaan onder de jaren 70 spelling ‘Kriminologie’, heet de vereniging nu weer NVC. Wat zou het mooi zijn wanneer dit ook symbool zou staan voor een meer algemene trend naar minder zweverigheid!

Van Swaaningen vertelde een anekdote over een Portugese die wilde promoveren op fraude in de wetenschap. Hij herinnerde zich zijn verbazing: fraude in de wetenschap? Fraude in de criminologie? In tegenstelling tot de farmacie bijvoorbeeld, is er toch geen groot geld dat wetenschappers zou kunnen corrumperen? Maar: er zijn wel politieke belangen. Letterlijk sprak hij van de “fragiele positie van de criminologie in relatie tot de politiek”. Een goede zaak. Dit is ook een zeer belangrijk thema hier op Keizers & Kleren.

Goed dat hij ook het boek van Van KolfschootenOntspoorde Wetenschap, noemde. Jammer dan weer dat hij afsloot met te wijzen op het gevaar van doorslaan, van het ontstaan van een heksenjacht. Schuyt kwam aan het einde van de bijeenkomst met een opmerking met een vergelijkbare teneur: er moet niet te veel controle komen omdat anders de lol ervan afgaat. Een bedenkelijke insteek. Een ander gevaar is veel reëler, acuter en maatschappelijk relevanter: dat ongenadig wordt voortgegaan met inhakken op Stapel (en Smeesters) in de hoop de indruk te wekken dat zij de spreekwoordelijke uitzonderingen vormen in de verder probleemloos functionerende (sociale) wetenschappen.

Cees Schuyt was voorzitter van de KNAW-commissie die zich, naar aanleiding van de Stapel-affaire, boog over de vraag hoe de wetenschap moet omgaan met de deze problematiek. Hij vertelde het een en ander over de inhoud van het rapport (pdf), maar voegde ook nog wat toe. Ik licht er een paar punten uit die mij opvielen. Ik pik deze eruit, mede vanwege hun onderlinge overeenkomst. Schuyt vertelde dat hij lang getwijfeld had over het nut van het afleggen van een beroepseed en overtuigd was geraakt van het nut ervan door een jonge jurist. Zo’n eed zou namelijk kunnen helpen om naar te verwijzen wanneer je onder druk gezet wordt door je omgeving om dingen te accepteren die niet deugen. Schuyt sprak, net als Catrien Bijleveld in haar bijdrage, ook nog over het verschil tussen onderzoekers met en zonder “goede bedoelingen”. Verkeerd omgaan met statistiek betekent niet per se dat integriteit het probleem vormt. Hij ging daarin nog een stap verder:  slecht onderzoek was niet zo erg, want dat kon verbeterd worden.

De weg naar de hel, in mijn ogen. Ook toen ik hem daarover had aangesproken bleef Schuyt bij zijn standpunt. Mensen die via hun werk er blijk van geven niet te voldoen aan de normen die gesteld worden door het wetenschappelijk bedrijf, ongeacht of dit zijn oorsprong vindt in onkunde of onwil, zouden mijns inziens niet werkzaam moeten blijven in de wetenschap.
Tenslotte had Schuyt het over openheid in een vroeg(er) stadium van het onderzoek: ruim voordat men aan publiceren toe is. In dat verband sprak hij over de noodzaak van ‘peer pressure’. Nadat Bijleveld in haar verhaal aangegeven had dat ze liever de term ‘samenwerken’ gebruikte dan ‘peer pressure’, sloot Schuyt zich daarbij aan.

Wonderlijk. Peer pressure is echt heel wat anders dan samenwerking. Minder dan een minuut zoeken op internet leidt me naar een Yahoo-vraag over de term peer pressure: iemand wil de betekenis ervan weten. In het kader van zijn sociologie huiswerk.

Professor Bijleveld, hoogleraar methoden en technieken van criminologisch onderzoek aan de VU, sprak ook over het politieke aspect van de criminologie. Voor de resultaten van criminologische studie is veel meer publieke belangstelling en het is daarom, in haar woorden “dus enger”.

Ik moest ineens aan een in Amerika veel gebruikt gezegde denken over hitte en keukens. Deze associatie zal bij een aantal lezers van dit stuk misschien de verdenking doen rijzen dat ik een seksist ben. Die uitdrukking heeft echter niets te maken met rolverdelingen tussen mannen en vrouwen, wel met breed heersende angst in de westerse samenleving om onaardig gevonden te worden en de neiging om te koketteren met eigen onzekerheid, een neiging die je beslist niet alleen bij vrouwen ziet.

Bijleveld gaf overigens wel het meest expliciet antwoord op mijn vraag aan alle inleiders over het tegenovergestelde van plagiaat. Ik bedoel daarmee het verschijnsel dat wetenschappers verwijzingen opnemen in hun artikelen die suggereren dat een bepaald betoog ondersteund wordt door wat beschreven wordt in het betreffende boek of artikel terwijl die suggestie in het geheel niet klopt. Het vergt eigenlijk dat je als reviewer alle bronnen waar naar gelinkt wordt, checkt. Ik vroeg de inleiders of ze dit herkenden als een lastige opgave waar je als reviewer niet altijd tijd voor hebt.  Het antwoord van de hoogleraar zou je gedurfd kunnen noemen. Ze beweerde dat dit niet echt een probleem vormt omdat je immers bekend bent met hetgeen in die bronnen naar voren wordt gebracht.

Dirk Jan de Jong en Mirjam Wijkman vertelden dat hen, in het kader van reviewing van hun artikelen, nooit naar onderliggende data werd gevraagd. Naar aanleiding daarvan vroeg André van Delft of de inleiders bij hun werkzaamheden als reviewer zelf wel daarom vroegen. Geen van de panelleden deed dat.

Door twee opmerkingen van Schuyt aan het einde van de bijeenkomst werd ik toch weer wat optimistischer. Hij sprak uit dat er te weinig bekend is over de prevalentie van vormen van wetenschapsfraude: daar moet actief onderzoek naar gedaan worden. Bijvoorbeeld door steekproefsgewijs zware controles uit te voeren. Hij wees overigens ook al een struikelblok aan: de universiteiten voelen er niet voor. De andere opmerking waardeerde ik nog meer. Hij zei dat de afgelopen tijd de kritische zin is verminderd en voegde er zelfs aan toe dat hij dat in zijn inleiding daar te weinig nadruk op had gelegd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>