Opstelten nòg slordiger dan de criminologen die hij beschermt

Foto ANP. Dankbaar geleend van het AD.

Naar aanleiding van ons kritische discussiestuk in Tijdschrift voor Criminologie, vroeg Tweede Kamerlid Lilian Helder om een reactie van minister Opstelten van Justitie.
De minister voldeed daaraan op 27 mei 2013 in een brief met als onderwerp “Recidive, pakkans, strafhoogte“. De minister geeft toe dat op het oorspronkelijke artikel, dat veel aandacht kreeg in de Tweede Kamer en dat wij daarna onder de loep namen, wel wat aan te merken was, maar verwijst naar ander wetenschappelijk onderzoek dat de claims zou ondersteunen en spreekt zich nog eens nadrukkelijk uit ten gunste van taakstraffen.

We hebben het relevante deel van zijn tekst hieronder overgenomen;  een samenvatting en ons commentaar volgen daaronder.

Recidive bij toepassing werkstraf

In 2009 publiceerden Wernink et al. de uitkomsten van een studie over het verschil in recidive bij toepassing van werkstraffen en gevangenisstraffen. In hun artikel werd geconcludeerd dat daders na een eerste werkstraf significant minder recidiveren dan na een eerste korte gevangenisstraf. Na een eerste werkstraf zou volgens de auteurs sprake zijn van gemiddeld 50 procent minder veroordelingen over een periode van acht jaar.

Begin 2013 verscheen een artikel van Groenendijk en Van Delft, waarin kanttekeningen werden geplaatst bij het artikel uit 2009. In dezelfde uitgave gaven Wermink e.a. vervolgens weer een repliek op het artikel van Groenendijk en Van Delft. Ik constateer dat de auteurs van beide artikelen van mening verschillen over de meest adequate manier om onderzoek te doen naar de effectiviteit van werkstraffen ten opzichte van gevangenisstraffen.
Aangezien ik de auteurs van beide artikelen zeer kundig acht, onthoud ik me van een oordeel over de discussie tussen hen, waar die ingaat op de gehanteerde methodiek.

Allereerst merk ik op dat het, net als eerder is aangegeven ten aanzien van de gedragsinterventies, niet eenvoudig is om onderzoek te doen naar de causale werking van justitiële interventies. Omdat de context, de strafrechts-pleging, zich niet gemakkelijk leent voor gerandomiseerd onderzoek, kunnen nooit met volledige zekerheid uitspraken worden gedaan over de effecten.
Onderzoekers zoals Wermink e.a. proberen de laboratoriumsituatie zo goed als mogelijk na te bootsen door groepen vergelijkbaar te maken op zoveel mogelijk relevante kenmerken. Wermink e.a. zijn daar naar mijn mening redelijk goed in geslaagd. Desondanks blijft er een kans aanwezig dat niet alle relevante kenmerken meetbaar of beschikbaar zijn om de groepen voor 100% vergelijkbaar te maken. In het betreffende onderzoek zou bijvoorbeeld ook de proceshouding van de veroordeelden nog een rol hebben kunnen gespeeld bij de keuze van de rechter om een werkstraf of een korte vrijheidsstraf op te leggen.

 

In het wetenschappelijke discours wordt bij voortduring gediscussieerd over de gehanteerde methodiek en de stelligheid waarmee resultaten worden gepresenteerd. De discussie over het onderzoek van Wermink e.a. laat onverlet dat ik van mening ben dat de werkstraf een nuttige straf is. Met het opleggen van een werkstraf wordt aan de ene kant tot uitdrukking gebracht dat het gepleegde feit door de samenleving niet wordt geaccepteerd en dat de schuldige hiervoor dient te worden gestraft. Aan de andere kant kan door het opleggen van de werkstraf worden voorkomen dat de veroordeelde uit de samenleving wordt gehaald en wordt hij gedwongen zich nuttig te maken voor de samenleving die hij door zijn handelen schade heeft toegebracht. Daarbij wil ik er tot slot op wijzen dat hoewel de conclusie van Wermink e.a. ten aanzien van de relatieve effectiviteit van de werkstraf wellicht iets te stellig is gepresenteerd, er ander onderzoek bestaat dat in dezelfde richting wijst. Zo blijkt ook uit recent elders uitgevoerd quasi-experimenteel onderzoek dat gevangenisstraf hogere recidivecijfers opleverde dan op de gemeenschap georiënteerde sancties. En uit een spaarzame Zwitserse studie met een gerandomiseerd design werd ook een gunstig effect voor de werkstraf ten opzichte van de korte vrijheidsstraf aangetroffen.

In Nederland en België is naast de studie van Wermink e.a. in minstens vier eerdere studies gekeken naar het verschil in recidive tussen werkgestraften en personen met een korte vrijheidsstraf. In elk van deze quasiexperimentele studies was het niveau van de recidive onder de werkgestraften lager. Dit steunt mij in mijn visie dat de werkstraf een geschikte straf is voor naar verhouding lichte strafbare feiten.

Het antwoord van de minister komt neer op: “Ik keur het onderzoek van Wermink e.a. niet af. De conclusies zijn mogelijk te stellig, maar er zijn andere onderzoeken die ook aantonen dat er minder recidive is na werkstraf dan na gevangenisstraf. Daarom ben ik voor werkstraffen bij naar verhouding lichte strafbare feiten“.

Om met dat laatste te beginnen: minister Opstelten maakt kennelijk bij het bepalen van zijn voorkeur voor een type straf onderscheid tussen lichte en zware strafbare feiten. Hij licht dat onderscheid niet toe; het volgt ook niet uit zijn voorgaande woorden. Daarom zou je mogen verwachten, op grond van zijn eerdere argumenten, dat recidive evengoed ook bij zware feiten zal verminderen door gevangenisstraf te vervangen door werkstraf. Maar blijkbaar wil minister Opstelten daar niet aan. Wellicht veronderstelt hij dat werkstraffen voor zware feiten als moord slecht uitpakken voor de veiligheid, en gaat hij ervan uit dat veiligheid bij die categorie misdaad zwaarder weegt. Bij de lichte misdaad lijken voor de minister de kosten van gevangenhouding belangrijker.

Terugdringen van recidive krijgt teveel aandacht

Er heerst een groot misverstand dat de hoeveelheid recidive een simpele relatie zou hebben met de hoeveelheid criminaliteit, en dat het daarom zaak zou zijn om vooral recidive terug te dringen.

Minister Opstelten ontleent aan andere onderzoeken dan dat van Wermink, de overtuiging dat werkstraf recidive vermindert. Die argumentatie is vrij zwak; in de volgende paragraaf gaan we daarop in. Werkstraffen kunnen de criminaliteit echter ook doen toenemen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk doordat ze minder afschrikken, zodat meer mensen een eerste misdaad plegen. Zo’n effect laat zich niet aflezen aan de recidive. Bovendien duren werkstraffen veel korter dan gevangenisstraf, wanneer de rechter deze oplegt voor een zeker vergrijp. In de gevangenis verblijvend heeft een misdadiger geen gelegenheid meer om op straat te stelen en te beroven, en dat maakt heel veel uit. Uit Trouw, 4 januari 2011:

“Langdurig opsluiten van veelplegers is ‘uitzonderlijk effectief’. Door honderden verslaafde criminelen een paar jaar achter de tralies te zetten, daalde het aantal aan-giften van auto- en woninginbraak eind 2007 met zo’n 30 procent. Dit blijkt uit een rapport van misdaadeconoom Ben Vollaard van de Universiteit van Tilburg.”

Alleen zie je deze effectiviteit voor de veiligheid niet terug in de recidivecijfers, omdat die pas gerekend worden na het uitzitten van de straf.

Minister Opstelten noemt enkele onderzoeken die de conclusie van Wermink e.a. zouden ondersteunen, maar hij laat na het belangrijke werk van Vollaard te noemen. Afgaande op de woorden van de minister, vindt hij het prima wanneer veelplegers van lichte strafbare feiten elke keer weer een werkstraf krijgen. Opstelten komt daarmee tot een standpunt dat lijkt op dat van de Leidse criminoloog Schoep. Die zei eerder dit jaar in een debat dat je veelplegers toch niet elke keer weer in de gevangenis kan zetten, kennelijk uit een soort medelijden.

Het is niet alleen verkeerd van de debatterende politici om op recidive te focussen in plaats van op veiligheid; zelfs wanneer die focus terecht zou zijn, dan nog zouden onderzoeken als dat van Wermink nog vrij nutteloos zijn. Die onderzoeken gaan namelijk stilzwijgend uit van een heel andere definitie van het woord “recidive” dan in het normale taalgebruik geldt. In het eerste geval het gaat om een nieuwe veroordeling na het ondergaan van een straf; in het tweede om een nieuw gepleegd misdrijf na het ondergaan van een straf. Slechts een heel klein deel van de misdrijven resulteert in een veroordeling. Het is de vraag of je het ene met het andere kan meten. Overigens gaat de minister in een ander deel van zijn brief expliciet in op de achterliggende kwestie van de grote hoeveelheid misdrijven die niet opgelost of zelfs niet aangemeld wordt. Kort door de bocht geformuleerd stelt hij vast dat het daarbij toch vooral gaat om minder ernstige misdrijven, kwesties met ‘weinig impact’.

Zwakke onderbouwing

De minister stelt letterlijk dat “hoewel de conclusie van Wermink e.a. (…) wellicht iets te stellig is gepresenteerd, er ander onderzoek bestaat dat in dezelfde richting wijst”. In voetnoot 13 *) noemt hij een viertal onderzoeken. In de zin erna noemt hij een Zwitsers onderzoek.

Het eerste onderzoek uit de noot is van Bol en Oudewater en heet “Recidive van dienstverleners in het strafrecht voor volwassenen“. Dit onderzoek geeft zeer weinig steun voor de claims van Wermink e.a.. Net als dat door ons gewraakte onderzoek steunt het op een proces van matching en vormden de onderzoekers tweetallen van een gevangenisgestrafte en een ‘dienstverlener’ op basis van demografische gegevens en variabelen die samenhingen met het misdrijf zelf. Ook deze onderzoekers negeerden daarbij andere persoonskenmerken -IQ, EQ, noem maar op- evenals de inschatting van de rechter. Bovendien stellen zij vast dat evengoed de gunstiger resultaten bij dienstverlening slechts voor één type misdrijf konden worden vastgesteld.

Het tweede onderzoek is afkomstig van E.C. Spaans. De conclusie ervan begint met deze zin:

De belangrijkste conclusie die uit de recidivestudie valt te trekken, is dat de onderzochte dienstverleners en onvoorwaardelijk gestraften als `totale’ groep niet met elkaar te vergelijken zijn.

Deze auteur heeft zijn artikel nota bene als titel meegegeven: “Appels en Peren”!

Voor de beperkte groep met tien of meer eerdere justitiecontacten kunnen na enige kunstgrepen wel vergelijkbare groepen worden aangewezen. Daarvoor geldt:

… dat dienstverlening een sterker recidiveverminderend effect heeft dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Voor zover het gaat om personen met een omvangrijk justitieel verleden, is dienstverlening dus te prefereren boven een korte onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Voor de groep dienstverleners als geheel geldt echter [onze nadruk] dat de resultaten in termen van recidive(vermindering) nauwelijks beter of slechter zijn dan onder personen die (in 1987) een voorwaardelijke vrijheidsstraf kregen opgelegd.

Het derde genoemde onderzoek, van Hilde Geudens, gaat niet over Nederland, maar over België. Haar verhaal gaat bovendien alleen over jongeren en haar insteek is duidelijk die van de ‘dader als slachtoffer': een goede insteek voor hulpverleners, maar niet voor criminologen. De auteur was maatschappelijk werkster voordat ze criminologie studeerde en werkt nu weer in de jeugdzorg.

Het laatste hier door de minister als ondersteuning opgevoerde ‘andere onderzoek’ betreft “Recidive 1997. Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van volwassen en jeugdige daders“. Het is onderdeel van de Recidive Monitor en geschreven door Wartna, Tollenaar en Blom. We citeren enkele zinnen uit de samenvatting:

Tussen de daders in de diverse sanctiegroepen doen zich aanzienlijke verschillen voor. (…) Bij de interpretatie van de uitkomsten dient men met deze ‘instroomverschillen’ rekening te houden. Valt de recidive in een sanctiegroep lager uit, dan wil dat nog niet zeggen dat de sanctie effectiever is [onze nadruk] . De verschillen kunnen ook door andere factoren worden verklaard. (…) Personen die nog niet eerder in aanraking kwamen met Justitie en van wie de uitgangszaak dus het eerste contact vormde, hebben de laagste kans om te recidiveren. (…) Bij jeugdige daders met meer dan tien eerdere contacten heeft na vier jaar iedereen gerecidiveerd.

Wermink e.a. vergeleken in hun studie juist alleen first-offenders.

Ook vanuit deze cijfermatige gegevens dus bijzonder weinig steun voor die “wellicht iets te stellig gepresenteerde” conclusies. Maar het wordt nog gekker.

Het Zwitserse onderzoek dat de minister noemt, werd ook in Wermink e.a. aangehaald, en werd door ons genoemd in onze kritiek. Het onderzoek betrof weliswaar een kleine steekproef, maar het is bijzonder omdat het een echt experiment betrof; er was geen sprake  van een quasi-experiment waarin de data aangepakt zijn met statistische kunstgrepen. Wermink e.a. wezen erop dat bij taakgestraften minder  recidive voorkwam dan bij gevangenisgestraften maar ook dat dit alleen gold voor de korte termijn. Op de langere termijn draaide het verband om!

Wat moet er gebeuren?

De Tweede Kamer vergaderde kennelijk niet aan de hand van deugdelijke onderzoeken en zinvolle definities. Wij hebben daarop gewezen, maar de minister wuift onze bezwaren weg; hij neemt geen stelling tegen een slecht rapport. En dat is heel jammer. Het onderzoek van Wermink e.a. is lang niet het enige wanproduct van de Nederlandse criminologie; op Keizers en Kleren worden ook andere benoemd. Vanuit het vakgebied zelf is nauwelijks weerstand tegen criminologische misstanden; alleen onbetaalde en onafhankelijke buitenstaanders lijken kritiek te leveren.

Er bestaat een structureel probleem in de wetenschapsbeoefening in Nederland, met name in de sociale wetenschappen.

Politici laten zich fout informeren en nemen beslissingen die de maatschappij schaden. Het probleem doet zich ook voor in andere beleidsgebieden, zoals het klimaat (“the science is settled”) en het rampzalige reken- en wiskundeonderwijs. De meeste politici lijken niet geïnteresseerd in waarheidsvinding; zij laten zich uit luiheid misleiden, of werken er zelfs hard aan mee.

Wat zouden onze politici moeten doen:

  • erken openlijk dat Lilian Helder gelijk had met haar wantrouwen tegen het gebruik van statistiek bij Wermink e.a..
  • voer het veiligheidsdebat opnieuw; neem als doelstelling de veiligheid van de burgers.
  • vertrouw niet a priori op criminologen en op hun publicaties, zoals die in Tijdschrift voor Criminologie; kom zelf tot een kritisch oordeel en vraag zo nodig betawetenschappers daarbij om hulp.
  • wees ook kritisch naar andere takken van wetenschap, met name klimatologie en onderwijskunde.
  • laat deze vakgroepen op de universiteiten  doorlichten door echte wetenschappers, op het gebruik van statistiek en logisch redeneren.
  • krimp de beoefening van deze vakgebieden aan de universiteiten sterk in om de maatschappij te beschermen.

Het is hoog tijd om op te houden met valse wetenschapsspelletjes.

André van Delft, Frans Groenendijk

*)  Bol, M.W. & Overwater, J.J. (1986). Recidive van dienstverleners: In het strafrecht voor volwassenen. ‘s-Gravenhage: Staatsuitgeverij;

Spaans, E.C. (1994). Appels en peren: Een onderzoek naar de recidive van dienstverleners en kortgestraften. Arnhem: Gouda Quint;

Geudens, H. (1999). Gemeenschapsdienst en recidive: een vergelijking met de traditionele jeugdbeschermingsmaatregelen. Tijdschrift voor Criminologie, 41, 1, 57-72;

Wartna, B.S.J., Tollenaar, N., & Blom, M. (2005). Recidive 1997: Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van volwassen en jeugdige daders. Den Haag: Boom

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>